Column

PPA's groene stroom doen meer kwaad dan goed

De laatste tijd promoten diverse adviseurs het direct contracteren van groene stroom door grootverbruikers (PPA's). Advocatenkantoor Baker & McKenzie noemt het zelfs de nieuwe drijfveer voor duurzame energie. Hoewel het rapport waarop die conclusie is gebaseerd vooral naar de Verenigde Staten kijkt, heeft het advocatenkantoor ook hoge verwachtingen voor de Nederlandse markt. Baker & McKenzie staat daarin niet alleen. Ook de organisaties Climex en Accenture promoten in het bijzonder voor de Nederlandse markt 'nieuwe business modellen' zoals langetermijninkoop van groene stroom. De pleidooien zijn ongetwijfeld goed bedoeld maar in de Nederlandse omstandigheden helpen ze de energietransitie van de regen in de drup.

Installaties voor de productie van duurzame energie zijn duur en de kosten gaan voor de baat uit. Dat maakt, naast alle benodigde vergunningen, het rond krijgen van de financiering tot een van de meest cruciale voorwaarden voor projectrealisatie. Volgens de pleitbezorgers dragen PPA's juist bij aan het rondkrijgen van die financiering. Zo benoemen Accenture en Climex de inkomstenzekerheid voor projectontwikkelaars waardoor de financieringskosten dalen als groot voordeel van PPA's. Helaas vermelden ze niet waar die verwachting van lagere financieringskosten op is gebaseerd.

Zelf aan de slag

Google, Apple, Amazon en Facebook zijn enkele van de aansprekende voorbeelden die vaak worden genoemd als het gaat om grote verbruikers die zelf aan de slag gaan met (inkopen van) groene stroom. Ze sloten Power Purchase Agreements (PPA's) af met lange looptijden en hun voorbeelden worden alom gevolgd. Zulke grootbedrijf PPAs zijn ook in Europa in opkomst, aldus Baker & McKenzie. Grootverbruikers willen betrokken zijn bij de ontwikkeling van duurzame energie en traditionele energiebedrijven zijn de afgelopen drie jaar zwakker geworden waardoor ze minder trek hebben in PPA's.

De ervaring leert dat banken in discussies over projectfinanciering inderdaad groot gewicht hechten aan PPA's. Dat is in de Nederlandse omstandigheden om meerdere redenen niet terecht. Zo vloeit de inkomstenzekerheid die financiers willen zien, voort uit de combinatie van verkoopprijs elektriciteit, hoogte SDE+-subsidie en inkomsten uit de verkoop van garanties van oorsprong (GVO). Als die combinatie gegarandeerd leidt tot een acceptabele minimumprijs per MWh, dan loopt het project voornamelijk slechts technische risico’s zoals omvang van de productie. PPA's kunnen de financiering van een project alleen vereenvoudigen of goedkoper maken als een PPA op voorgaande aspecten beter scoort dan alternatieve methoden voor verkoop. In Nederland zal dat niet of nauwelijks het geval zijn dankzij het ontwerp van de SDE+-subsidiesystematiek.

De SDE+ dekt de kosten van de zogenaamde onrendabele top door het verschil te vergoeden van de veronderstelde totale kostprijs en de marktwaarde van de elektriciteit. Die markwaarde wordt jaarlijks vastgesteld wat dus inhoudt dat de SDE+-subsidie met de marktwaarde meebeweegt. Projectontwikkelaar of financiers die behoefte hebben aan stabiele inkomsten per MWh, moeten derhalve de verkoop van elektriciteit en GVO's zo goed mogelijk laten aansluiten bij de wijze waarop EZ de marktwaarde vaststelt. Elke afwijking kan in de toekomst tot grote problemen leiden!

Niet in beton
Het eerste probleem waar PPA-onderhandelaars tegen aan zullen lopen is het feit dat het vaststellen van de marktwaarde door EZ niet in beton gegoten is. Om risico’s voor het project uit te sluiten zal de grootafnemer akkoord moeten gaan met inkopen op de wijze zoals EZ die nu of op enig moment in de toekomst toepast. De huidige methode kijkt achteraf naar de gemiddelde gerealiseerde APX-prijzen, trekt daar een fors percentage voor profiel- en onbalanskosten vanaf en negeert vooralsnog de inkomsten uit GVO's. De beste manier voor een risicomijdende producent is dus om de productie vooralsnog volledig op de APX te verkopen en daarbij te proberen de onbalanskosten zo veel mogelijk te beperken. Wat betreft verkoop van GVO's moet de producent vooral zijn handen vrij houden, bijvoorbeeld hooguit voor een jaar vooruit prijzen afgeven. Immers, op het moment dat EZ GVO's wel serieus gaat nemen en de markwaarde gaat verdisconteren, moet de producent in staat zijn de toekomstige GVO te verkopen op een wijze die aansluit bij de waarde vaststelling door EZ.

De prijsonzekerheden die voor producenten en financiers voortvloeien uit de SDE+-systematiek zijn natuurlijk in een langjarige PPA te ondervangen. De producent kan bijvoorbeeld zijn volledige volume inclusief GVO's verkopen tegen een bedrag in de orde van grootte van de zogenaamde basisprijs1 minus de SDE+-subsidie die op het project van toepassing is. Zodoende koopt de afnemer de facto langjarig een hoeveelheid elektriciteit in tegen prijsniveaus zoals die golden op het moment van vaststellen van de SDE+-basisbedragen. Met het afdekken van prijsrisico’s zijn de partijen er nog niet. Er zullen afspraken gemaakt moeten worden over diverse lasten en lusten. De SDE+-systematiek stimuleert bijvoorbeeld producenten om minder profiel- en onbalanskosten te maken dan waarmee EZ rekent. Slaagt de PPA-afnemer er in zulke prikkels voor de producent te handhaven of eindigt de afnemer met een levering die minder waard is?

Kredietrisico
Een van de belangrijkste problemen waar partijen tegen aan lopen bij de PPA's is het kredietrisico. Een vaste prijs afspreken voor langjarige levering in een markt waarin prijzen fors kunnen fluctueren kan een groot beslag leggen op de kredietfaciliteiten van betrokkenen. Daarbij loopt vooral de afnemer een groot risico als marktprijzen stijgen. Als de producent omvalt, zal immers tegen de hogere marktprijzen van dat moment ingekocht moeten worden. Gezien de lange looptijd kan dat zelfs voor kleine projecten om tientallen miljoenen euro’s aan benodigde bankgaranties gaan. Omgekeerd speelt dat niet of nauwelijks. De reden daarvoor is simpel: eigenlijk heeft de producent geen PPA nodig. Als de afnemer heeft ingekocht tegen de basisprijs minus de actuele SDE+ subsidies, dan kan de producent bij omvallen van de afnemer zonder al te veel problemen2 overstappen op de verkoopmethode die eigenlijk van begin af aan benut had kunnen worden: verkopen op de vrije markt!

De Nederlandse markt biedt projectontwikkelaars alle ingrediënten die nodig zijn voor verkoop van elektriciteit en GVO’s: een scala aan dienstverleners, brokers, PV-partijen, handelaren, leveranciers, de elektriciteitsbeurs en een bilaterale markt. Via die kanalen kunnen elektriciteit en GVOs snel, efficiënt en relatief eenvoudig worden verkocht op een manier die goed aansluit bij het doel van de verkoop: het bereiken van een stabiele inkomstenstroom. Helaas is die boodschap nog niet aan iedereen besteed. Dat is een groot gemis. Baker & McKenzie wijst er op dat de grote energiebedrijven er financieel veel zwakker voorstaan dan enkele jaren terug. Dat geeft al aan hoe fundamenteel zaken in luttele jaren kunnen veranderen. Als giganten als Eon en RWE zo snel hun glans kwijt kunnen raken, hoe zit het dan met de veel geroemde bedrijven als Apple en Facebook? Zijn ze werkelijk een goed alternatief?

PPA's stammen uit de tijd van (de facto) monopolisten. De enige manier om elektriciteit op het net te kunnen zetten was door het te verkopen aan het lokale energiebedrijf. Die kon goed overweg met onzekerheden zoals moment van oplevering van een project, fluctuaties in leveringen en onderbrekingen in levering wegens storing en onderhoud. Tegenwoordig heeft de markt de rol van de vroegere monopolisten overgenomen. Daarom is het terecht dat EZ de SDE+ op die markt heeft afgestemd. Helaas is het niet vanzelfsprekend dat de markt met al zijn zegeningen centraal blijft staan. Promotie van PPA's rechtstreeks tussen producent en afnemer is een voorbeeld van het links laten liggen van de markt. Voor duurzame energie is dat ronduit tragisch. Juist de ontwikkeling van duurzame energie vereist versterking van de marktmechanismen. Niet langer afhankelijk zijn van de omvang, behoefte en kredietwaardigheid van een specifieke afnemer maar rechtstreeks de liquide markt op met behoud van de vrijheid om te beslissen aan wie, waneer, wat te verkopen. Duurzame energie heeft meer markt nodig, niet minder!

Voetnoten
1) Basisprijs is de veronderstelde benodigde all-in kostprijs die door de combinatie marktwaarde plus SDE subsidie gedekt moet worden
2) De uitzondering is als de marktwaarde gedaald is tot beneden de specifieke vloer in de marktprijzen die EZ hanteert. Op zulk moment beweegt het SDE+-subsidiebedrag niet langer mee met de markt. Het subsidieniveau houdt echter rekening met de premie voor een verzekering tegen dat risico.

Dit artikel is eerder verschenen als onderdeel van de uitgave van week 6 van de VrijhandelsOptiek. VrijhandelsOptiek is een tweewekelijkse opiniërende uitgave van publicist Sjak Lomme.

© 2017 Energeia. Alle rechten voorbehouden.