Gisteren keek ik de presentatie terug van Peter Wennink, die in Nieuwspoort zijn rapport De route naar toekomstige welvaart aanbood. Een boeiend verhaal dat mij in ieder geval veel aan het denken heeft gezet. De becijfering van de effecten van zelfgenoegzaamheid is een klap in het gezicht.
In een economie waar iedereen alsmaar minder is gaan werken of plotseling coach lijkt te zijn geworden, is het wachten op een economisch ongeluk. Zijn verhaal ging ook over de staat van ons onderwijs en hoe leerlingen tegenwoordig fors minder leerstof in het basis en voortgezet onderwijs aangeboden krijgen dan toen ik naar school ging. Vervolgens kwam de onvermijdbare ophemeling van de bètastudie, voor mij vaste prik als geschoolde econoom in de energiebranche. “Les chats ne font pas des chiens*”, zei mijn oma altijd, en het zal dus niemand verbazen dat mijn beide kinderen ook geen bètastudenten zijn geworden. Ze hebben zich net als ik moeizaam geworsteld door natuur- en scheikunde en zitten nu op hun plek in het onderwijsfirmament.

Mijn oudste begon dit jaar aan een studie tot geschiedenisleraar in Zwolle. Sindsdien komt hij in het weekend thuis met verdiepende verhalen over de tachtigjarige oorlog, de opkomst van het fascisme in de jaren ’30 of over de jagers en verzamelaars. Laatst kregen wij een discussie over de definitie van geschiedenis. Hij citeerde de Nederlandse historicus en cultuurfilosoof Johan Huizinga: “Geschiedenis is de geestelijke vorm waarin een cultuur zich rekenschap geeft van haar verleden”.
De Wet collectieve warmte is door de Eerste Kamer. Op LinkedIn buitelen betrokkenen over elkaar heen om felicitaties uit te brengen over deze ontknoping na jaren onzekerheid en heen en weer geslingerd worden tussen publiek en privaat. Voor 95% van de warmteprojecten geldt echter dat ze nog niet de papieren vorm zijn ontstegen. Er zijn misschien warmte-ateliers, ontwerptafels en businesscasedoorbraaksessies gehouden, maar er is nog geen hard investeringsbesluit. Iedereen zat namelijk op de wet te wachten.
Voor een paar honderdduizend reeds aangeslotenen of bewoners in gebieden waar de aansluiting momenteel gerealiseerd wordt, is het de realiteit van alledag. Voor hen staat er veel op het spel: een toekomstige tariefstructuur omhuld door veel mist, onduidelijkheid over bestaande kavels die opnieuw vastgesteld moeten worden en over hoe de kostenplusbenadering gaat uitpakken. Kortom, voor hen geldt: ‘t kan vriezen, ‘t kan dooien. En als je kiest voor vriezen, dan betaal je alsnog fors veel vastrecht.
Voor collectieve aansluitingen (blokverwarming) rekent het overigens wel rond en zie ik in mijn werk hoe je snel grote renovatiemeters kan maken met een positief verhaal voor de eindgebruiker. Voor individuele huiseigenaren of eigenaren van individuele cv-ketels pakt de overstap op het warmtenet anders uit. Maar doe je niets, dan word je wel als kikkers in een pan lekker opgewarmd; de vaste lasten voor je gasgebruik zullen de komende jaren blijven stijgen.
Ik houd mijn hart vast voor de gevolgen, maar besef tegelijkertijd dat er iets moest gebeuren; de huidige warmtewet voldeed ook voor geen kanten. Eindigt dit in een parlementaire enquête in 2030, of hebben wij ons tegen die tijd glansrijk door deze moeizame transitie geslagen, ik weet het simpelweg niet. Wat ik wel weet is dat de Kamerleden ingestemd hebben met een wet over de inrichting van een markt waar ze de klantenkant niet van kennen.
Onderweg vorige week naar een bewonersavond luisterde ik in de metro een podcast over de uitrol van het aardgasnetwerk in de jaren ’60. Met verhalen over de “aardgasmeisjes” die voor de marketing moesten zorgen, over hoe men te horen kreeg dat stadsgas binnen een week gestopt zou worden (niet binnen acht jaar hè, binnen één week!), hoe men dat aardgas van geen kant vertrouwde; de vlam zou slecht zijn, er zou niet genoeg in de grond zitten.
Maar ook over hoe men dacht dat de beste aanpak was om het zo snel uit het Slochterenveld te trekken, vóór het geen waarde meer zou hebben met de opkomst van kernenergie en hoe de Tweede Kamer niet over alle informatie beschikte over de precieze hoeveelheden die waren gevonden. Om te zwijgen over hoe de Groningers als laatste en zonder korting werden aangesloten.
Ik moest vaak glimlachen; er zijn zoveel parallellen te trekken met de huidige tijd. Aan het einde van de podcast was er een stukje van de oudejaarsconference van 1963 te horen. Terwijl ik de laatste meters te voet aflegde om in een buurthuis met bezorgde bewoners over warmte te praten, zong Wim Kan me nog na:
Wat een land, wat een land, waar dat allemaal maar kan
Twaalf miljoen oliebollen dansen in de pan
Aardgas stroomt maar uit de grond
we staan erbij met open mond
Wie had dat nou vroeger durven dromen
toen we turf in Drenthe staken
om de kachel aan te maken
stierven we van de rook en van de lonen
En nou houden we vast aan de heer van Slochteren
Dansen met z’n allen om de buit
Zeven maatschappijen met dertien dochteren
voor wie de gasbel luidt
De penning in de meter van Vaals tot Appelscha
De kerel die de meter leegt woont in Amerika
Twaalf miljoen oliebollen op aardgas
We zijn er met ons aardgas met z’n allen ingetuind
Over dertig jaar zal iemand de komende tien jaar gaan duiden zoals wij nu het aardgasverhaal herkauwen. De vraag is of we ons er straks met enige trots rekenschap van kunnen geven. Laat ik dan Peter Wennink ook een advies uitbrengen: houd naast verzwaarde wiskunde ook geschiedenis in het vakkenpakket.
*Katten baren geen honden.
Over de auteur
-
Laetitia Ouillet
Laetitia Ouillet is senior associate bij eRiskgroup en is directeur van het Sustainable Industry Lab. Ouillet was tot juni 2025 voorzitter van de landelijke energiecoöperatie de Windvogel. Eerder was ze directeur strategic area energy bij de TU/e en werkte ze als directeur strategie bij Eneco. Voor Energeia is Ouillet naast columnist het vaste gezicht van […]
Uit de hoek keert 19 januari weer terug.