Direct naar inhoud

TNO: Over flexibiliteit zijn we nog lang niet uitgeleerd — artikel bevat een betaalmuur

Dit artikel heeft een betaalde toegangsblokkering, wat betekent dat een deel van de inhoud pas kan worden gelezen als u bent ingelogd en een geldig abonnement heeft.

Geplaatst in sectie:
Geschreven door:
Gepubliceerd op: 7 september 2015
De inhoud van dit artikel is gemigreerd. Lijkt er iets mis te gaan, of onderdelen te missen? Neem dan contact met ons op.

Het wisselende aanbod van duurzame energie vormt nog geen acuut probleem voor onze elektriciteitsvoorziening, we weten niet wanneer dit dan wél het geval is en met flexibiliteitsdiensten die dit toekomstige probleem moeten oplossen is op dit moment nauwelijks geld te verdienen. Maar dat betekent niet dat we achterover kunnen leunen. “We moeten nog veel meer experimenteren.”

Dat zegt Rob Weterings, adviseur duurzame innovatie bij TNO, dat deze maandag een rapport presenteerde over de flexibele elektriciteitsvoorziening van de toekomst. Die toekomst ligt in het rapport in 2030, wanneer volgens ECN en PBL 49% tot 53% van de in Nederland opgewekte stroom afkomstig is van hernieuwbare bronnen als wind en zon, en er dus ook stevige pieken en dalen in het aanbod zullen zijn. “Dat jaartal is ons oriëntatiepunt geweest”, zegt Weterings, “maar we kijken ook voorbij 2030. Bottom line is dat we niet precies weten wanneer de vraag naar flexibiliteitsdiensten urgent wordt. Die onzekerheid is een gegeven, maar we moeten ons daardoor niet in slaap laten sussen.” In het rapport stellen de auteurs dan ook onomwonden: “Flexibiliteit is het kernbegrip van de toekomstige stroomvoorziening.”

Het energiesysteem moet flexibeler worden, zoveel is duidelijk voor TNO -en overigens niet alleen TNO, ook een partij als DNV GL lijkt flexibiliteit als sleutelwoord voor het toekomstige marktmodel te definiëren. Flexibiliteit over de gehele breedte van de markt welteverstaan. Dat betekent dat niet alleen naar technische aspecten moet worden gekeken, zoals de werking van een buurtbatterij, het aantal warmtepompen in een wijk of de algoritmes in de software van vraagsturingsprogramma’s. Ook het beleid moet soepeler, de energiemarkt moet hervormd en de maatschappij moet “op een andere manier met energie leren omgaan”, zegt Weterings.

Om te beginnen met de energiemarkt. Die is nu nog niet ingericht op flexibiliteitsdiensten. “De markt moet verbreed worden, ook kleinere partijen moeten toegang kunnen hebben”, zegt Weterings, “En om handel goed te laten werken zou het goed zijn als kleinverbruikers op één dag met meerdere energieleveranciers in zee kunnen gaan, afhankelijk van de prijzen die ze bieden.” De TNO-man begrijpt dat burgers en MKB-bedrijven niet de kennis en tijd hebben om zich dagelijks op de energiehandelsvloer te begeven, maar hij stelt dat deze handel verregaand geautomatiseerd kan worden, met een vooraf aangegeven bandbreedte van aan- en verkoopprijzen.

Kleine partijen kunnen de handel ook overlaten aan aggregatoren, bedrijven die de beschikbare elektriciteit van diverse kleine partijen bundelen en dus met grotere volumes kunnen handelen. TNO signaleert echter dat  deze partijen niet op de kortetermijnmarkten kunnen handelen,  terwijl “dat in de ons omringende landen wel het geval is”. Het  zou kunnen komen, aldus TNO in het rapport, doordat “er toetredingsbelemmeringen zijn voor aggregatoren, waardoor zij niet gemakkelijk de markt op kunnen.” Die moeten dus worden weggenomen, meent Weterings.

Maar een belangrijker belemmering lijkt voor nu toch de prijs te zijn; er valt eenvoudigweg nog niet veel geld te verdienen aan het leveren van flexibiliteit, zo concludeerden bijvoorbeeld eerder consultants Maarten Meijburg en Ruut Schalij eerder bij Energeia. De consultants vinden energiemanagementsystemen voor huishoudens vooralsnog een te dure optie. Dat mag voor nu zo zijn, erkent Weterings, maar dat gaat veranderen als het aandeel zon en wind in de elektriciteitsmix groeit. “Daarom is het van belang dat we nu experimenteren, zodat de diensten ontwikkeld zijn als de flexibiliteit nodig is.”

Ook in de regelgeving moet het een en ander veranderen. Bijvoorbeeld om netbeheerders meer speelruimte te bieden bij experimenten. “Ik raad  de netbeheerders aan om nu al de grenzen op te zoeken van wat ze mogen”, zegt Weterings. Want van experimenten zullen we het de komende tijd van moeten hebben. “En dan vooral veel grootschaliger en meer in real life dan onze eerste experimenten in de Ipin-proeftuinen. Een goed voorbeeld is de aggegator-pilot van Essent in Heerhugowaard. Van dergelijke projecten hebben we er nog te weinig.”

TNO maakt in het rapport ook een analyse van de verschillende manieren waarop flexibiliteit kan worden vormgegeven. “Er zijn verschillende vormen van flexibiliteit. Je kan een geografische indeling maken, dus flexibiliteit op woningniveau, of wijkniveau of zelf regionale flexibiliteit. Daarnaast is er de flexibiliteit per tijdseenheid”, zegt Weterings. “Soms heb je flexibiliteit per seconde nodig of soms per dag en soms voor nog langer. Waar we voor moeten waken is dat we ons gaan blindstaren op bepaalde opties, terwijl we juist het hele brede palet van flexibiliteit nodig hebben. We moeten bij flexibiliteit werken aan portfoliomanagement.”