Direct naar inhoud

De zaak Milieudefensie versus Shell — artikel bevat een betaalmuur

Dit artikel heeft een betaalde toegangsblokkering, wat betekent dat een deel van de inhoud pas kan worden gelezen als u bent ingelogd en een geldig abonnement heeft.

Geplaatst in sectie:
Geschreven door:
Gepubliceerd op: 17 mei 2021

Milieudefensie eist in een rechtszaak dat Shell maatregelen neemt om zijn CO₂-emissies in 2030 met 45% te verminderen (ten opzichte van 2010) en om deze emissies naar nul terug te brengen in 2050. Het gaat hierbij om alle emissies gerelateerd aan productie, transport én consumptie van Shell-producten. De van Shell verlangde CO₂-reductie wordt gebaseerd op de wereldwijde vermindering van de uitstoot, benodigd om de opwarming van de aarde tot ongeveer 1,5°C te beperken.

De rechter zal op 26 mei uitspraak doen in deze zaak. Afgezien van de vraag of men een dergelijke uitstootvermindering kan opleggen aan een enkel bedrijf, in plaats van aan alle Nederlandse olie- en gasbedrijven, rijst de vraag: heeft het opleggen van een dergelijke verplichting überhaupt zin?

Wat als de eis wordt toegekend

Een dergelijke vermindering van de uitstoot in 2030 kan alleen worden verkregen door een drastische verlaging van Shell’s investeringen in nieuwe olie- en gasproductie en het verkopen van een aantal producerende velden.

Jilles van den Beukel. (Foto: JVDB)

Olie- en gasvelden worden, om het risico te spreiden, vrijwel altijd geëxploiteerd door een samenwerkingsverband van een aantal bedrijven. Veelal is een van deze bedrijven het staatsbedrijf van het land waar het veld zich bevindt. Producerende velden die worden verkocht zullen, tenzij dat economisch niet meer aantrekkelijk is omdat een veld sowieso aan het einde van de levensduur is gekomen, gewoon worden voortgezet. Soms zal dat zijn door de bestaande partners (die een recht van eerste koop kunnen hebben) en soms zal er een nieuwe partner worden ingebracht.

Exploratielicenties, die vaker eigendom zijn van een enkel bedrijf dan producerende velden, kunnen worden verkocht of aan een overheid worden teruggegeven. In dat laatste geval wordt in vrijwel alle landen geëist dat alle verkregen data (studies of resultaten van exploratieputten) ook naar de overheid worden overgebracht, zodat die een nieuwe licentiehouder in staat kan stellen het werk snel weer op te pakken.

Als op de langere termijn, door lagere investeringen van Shell, de productie zou dalen, zal dat door andere bedrijven moeiteloos worden opgevangen. De olieproductie van Shell is ongeveer 1,8 miljoen vaten per dag (minder dan 2% van de wereldwijde olieproductie). Een jaarlijkse vermindering van de Shell productie met tot 0,1 miljoen vaten per dag is slechts een kleine factor op de wereldwijde oliemarkten. De afgelopen jaren is gebleken dat alleen schalieolie uit de VS, afhankelijk van de olieprijs, in een enkel jaar met tot 2 miljoen vaten per dag kan groeien of krimpen. Op de gasmarkt in Noordwest-Europa werd de procentueel veel grotere vermindering van het aanbod door het verlagen van de productie in het Groningenveld zonder problemen opgevangen door een grotere import (en productie) van pijpleidinggas uit Rusland en LNG uit verschillende landen.

Voor het klimaat zal de verplaatsing van productie van bedrijven als Shell naar kleinere lokale operators eerder negatieve dan positieve gevolgen hebben. BP’s verkoop van het grote Prudhoe Bay-olieveld in Alaska werd gevolgd door een toename van de upstream emissies. Kleinere private oliebedrijven fakkelen in Texas bij de productie van schalieolie gemiddeld zes keer zo veel gas af als de grote beursgenoteerde bedrijven. De methaanintensiteit van de gasproductie door Shell varieert volgens Shell tussen de 0% en 1,3% en het bedrijf is voornemens de gemiddelde intensiteit in 2025 te verminderen tot 0,2%. De gemiddelde methaanintensiteit van de wereldwijde gasproductie ligt rond de 1,5%-2%. Shell hanteert al langere tijd een hogere interne CO₂-prijs dan de meeste andere bedrijven en investeert relatief weinig in assets met een hoge carbon footprint zoals oliezanden. Net als andere Europese majors werden de assets in Canadese oliezanden verkocht. Het bedrijf is een voorloper in het gebruik van zero carbon-elektriciteit bij zware olievelden (Oman, zon) en LNG-projecten (Canada, hydro).

Hoe gaan bedrijven als Shell om met de energietransitie?

Het is niet zo dat de olie- en gasindustrie zich niets aantrekt van de energietransitie. De upstream investeringen lopen sinds 2015 geleidelijk aan terug en bevinden zich nu op een niveau dat ongeveer de helft is van dat in de periode 2010-2015. Zij sturen, met geleidelijk stijgende interne CO₂-prijzen ($40-$80 per ton in het afgelopen decennium, stijgend naar rond de $100 in 2030), steeds meer op carbon footprint. Het contrast met een land als Rusland, waar de upstream investeringen de afgelopen tien jaar met een factor drie stegen (in roebels, een factor twee in dollars) is groot.

Shell verwacht in 2030 tussen de 10% en 20% minder olie te produceren (voor BP is dit 40%; ook als gevolg van de grotere behoefte bij BP om de schuld terug te brengen). Vanaf 2025 verwacht het geen exploratielicenties in nieuwe gebieden te verwerven. Voor investeringen in upstream olie hanteert het een veel hoger noodzakelijk verwacht rendement (van 23%) dan voor investeringen in New Energies.

Het lijkt erop dat de Europese majors voorlopig niet meer investeren dan passend is bij een scenario dat uitkomt op een opwarming van 1,8°C of 2°C. Men kan hen verwijten dat dat geen 1,5°C is maar wie gelooft er werkelijk nog dat een 1,5°C-scenario een reële kans maakt? Het is ook niet zozeer de vraag of Shell in New Energies wil, maar of het dat kan, en hoe succesvol het hierin zal zijn. Het heeft hier geen competitive edge ten opzichte van concurrenten, terwijl nu nog primair fossiele bedrijven als Shell wel hogere financieringslasten hebben.

Kunnen fossiel en New Energies wel floreren onder een en hetzelfde dak? Veel analisten en beleggers hebben daar hun twijfels over. Achter de schermen werd er door beleggers druk uitgeoefend op bedrijven als Shell om, als de recente hoge markwaarderingen niet al te zeer omlaaggaan, een deel van hun activiteiten in New Energies te verkopen. ENI en Repsol overwegen een deel van die activiteiten nu naar de beurs te brengen.

Wat dan wel te doen?

Het is frustrerend voor allen die klimaatverandering willen aanpakken, maar de aanpak aan de aanbodkant van fossiele brandstoffen werkt veel minder goed, en geeft veel minder uitzicht op resultaat, dan de aanpak aan de vraagkant. Vraag die ergens verdwijnt wordt niet vervangen door vraag in een ander land. Aanbod dat ergens verdwijnt wordt echter moeiteloos vervangen door aanbod van elders.

Hoe succesvol de aanpak aan de vraagkant zal zijn, hangt vooral af van landen als China en India. Dat kan Nederland niet oplossen. Wat wel mogelijk is, is doorgaan op de ingeslagen weg om met een goed functionerend EU ETS-systeem en met gerichte subsidies zoals de SDE++, én uitstoot snel verder terug te brengen én veelbelovende technieken te steunen zodat die, via schaalvergroting en de daarmee gepaard gaande kostenverlaging, over een dood punt heen kunnen komen.

Daarbij moeten overheid en bedrijfsleven samenwerken, zoals dat ook gebeurde in de vorige energietransitie in de jaren zestig, toen van kolen naar gas werd omgeschakeld. Het is goed om ook individuele bedrijven achter de vodden te zitten, maar de huidige anti-bedrijfsleven-stemming in Nederland helpt de energietransitie niet.

Terugkomend op de zaak Milieudefensie-Shell: dit gaat niet om uitstoot maar om publiciteit. Het gaat om het uitoefenen van druk op bedrijven, en de investeerders in deze bedrijven, om haast te maken met de energietransitie. Het gaat erom de publieke opinie richting de weg van meer drastische maatregelen te duwen. Hoe men daar ook over denkt: dat is een meer zinvol en reëel doel dan het opleggen van een verplichting aan Shell om de uitstoot in 2030 met 45% te verminderen.